juli 2009

ma di wo do vr za zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
Mijn foto

gekke mensjes

web-log.nl, powered by TypePad

29-7-09

. beste Heren Contrabas

U behoort vooreerst te weten dat de contrabas, de grootste en meteen ook het laagst klinkende instrument is van de familie der strijkinstrumenten. Dat brengt met zich mee dat u, wanneer u zichzelf van haar naam bedient, hoort te weten dat u de laagste tonen speelt, en slechts zelden een solo hoort te spelen. De bas draagt, de bas geeft het ritme waar percussie afwezig is en hoort de rest van de familie te ondersteunen, richting te geven zonder het voorplan op te eisen. Dit alles om de gehele familie samen te brengen tot waar het einde luisterrijk de stilte omarmt.


Welnu, kan ik zeer objectief constateren dat u zichzelf wel die naam heeft eigengemaakt, maar dat de eigenlijke betekenis daarvan u volledig vreemd lijkt. Getuige daarvan uw erg zielige schoolmeestergedrag in het antwoord op de oprechte brief van Dhr. Aelberts, waarin laatstgenoemde een eerlijke poging ondernam positie in te nemen als natuurlijke reactie op een eerdere zwakzalverij van uwer hand. Hieruit mag blijken hoezeer u uzelf verafgoodt en u vanuit die optiek niet nalaten kan neer te kijken op al wat anders is, schrijft of kijkt dan uzelf. Uiteraard maak ik hieruit op dat u maar niet los kan komen van wat wij hier een 'oervlaamse tsjevenmentaliteit' noemen, waarbinnen al wat vreemd is gekerstend hoort te worden - onderworpen aan uw eigen dogmatische wilskarakter - en al wat jong is en linkshandig maar oprecht probeert te schrijven -uzelf doet dat met rechts - met de stok of een gamma aan regeltjes op de vingers wordt getikt en in uw geval de grond ingeboord.

Zo u wil. Mijnheren contrabas. Maar uw wil is geen wet, in het beste geval duiden uw commentaren op kraai slechts op een laatste stuiptrekking van uw eigen gecreëerde oude imperium waarvan u het beste beseft dat het niet is opgewassen tegen de frisse geest van andere, jonge, mensen. U valt aan, trekt daarin ten strijde tegen een garde die u schatplichtig is, in plaats van ze te koesteren en in alle wijsheid richtingen te tonen. U valt hier dus diep én door de mand.


Achter het klankbord van uw contrabas zit u dood te bloeden. Uw aanval op kraai - dit was niet de eerste - tekent immers de contouren van het kruis waarmee u zichzelf heeft belast. Wie zich contrabas noemt en bovendien literair actief placht te zijn, wordt geacht als persoonlijke a priori te weten welke rol zij vervult. Als zij haar stem laat horen, doet ze dit in een dienende rol - en zal ze daarvoor worden bedankt met een sporadische solo die excelleert in eenvoud, draagkracht en diepgang. Wanneer zij zichzelf in de spotlight plaatst, verzandt haar stem echter gauw in die van een dwingende façade. Zonder de ander blijft de contrabas enkel en alleen. Aldus richt zij - zoals het elke façade eigen is - ook enkel zichzelf ten gronde.

Heren contrabas, u bent in die mate transparant dat menigeen om uw alwetende verbeteren lachend dat puntje aanwijzen waarop uw façade steunt, klaar om de tik te geven. Want hoe ernstig dacht u nog te worden genomen wanneer u zelfs uw eigen naam niet begrijpen kan.

Er rest jullie slechts één optie het masker nog te redden. Verander uw naam in contra. Laat de bas achterwege. U heeft immers stellig bewezen niet bij machte te zijn enige draagkracht te verlenen aan zich op artistiek gebied ontplooiend jong talent. Uw plaats is daar waar men kinderen leert te schrijven en niet in de vrijstaat gevrijwaard voor oprecht zoekende geestesgenoten.

Hoogachtend,

bert

9-7-09

RoaD

Om wat nog niet is veel gepraat
In niets gezegd.

Zo de wandeling haar aanvang kent.
Verder niet weet waar en
of heen.

Tussen beide gaat zij haar gang
op niet platgetreden paden
fluit zij uit
zoekt het raam met het doek dat niet valt
en theater vrolijk zijn duivels lost

ik onderweg bestolen word van wat mij bindt

wat rest is enkel als mijn verzinnen
een loopje neemt en

teken ik daar het spelen tussen waar en heen

dronken vervoert het toneel haar spelers.

torendoosje

Torendoosje


'Deal ... ?'
'Deal .' Antwoord ik.

Waarop zij tevreden haar pas bestelde dubbele whisky daadkrachtig achterover slaat. 'Om de twijfel in je ogen weg te spoelen', zegt ze terwijl haar leeg terugkomende glas halve okkernoten maakt van het tafeltje waaraan wij dachten te zitten. Met tweemaal van't zelfde, on the rocks, verzegelen we het sigarendoosje waarin we onze entente hebben ondergebracht. 'Eens het kistje gesloten, is er geen weg terug', verzekert zij me met een indringende blik die zelfs een veer in twee zou splijten. Ik knikkebol voor het eerst en voel een tinteling in mijn vingers. Nog een whisky. Zonder rocks. 'Dit is het doosje waarop je bouwen zal tot je hoger torent dan de windmolens draaien.' En met een klap sluit ze het kistje, maakt pistache pistache van wat een fractie voordien nog pistache heette en verzegelt daarmee mijn eerste kistje. 'Kijkt en zoekt hiernaar, dit is het doosje dat voor jou getekend is.'

De heilige viervuldigheid van haar feeërieke persoon openbaart zich in volle glorie bij het ultieme nuttigen van dit laatste glas. Na 100 jaar geslapen wekt zij me op met de zachte kus van haar verdwijnen. Het laatste dat ik van haar verneem staat geschreven op het briefje dat ik vind bij het bekijken van de okkernotige restanten van wat ik als tafeltje bedacht. 'Ik zal op je wachten in het bovenste doosje.' Daar moet ik het mee doen.

Duizend-en-één dagen later schrijf ik nu, temidden van mijn nu eens met veren, dan weer eens met halve noten of wat eitjes van kinderen, jawel, af en toe zelfs met restanten hoop gevulde kistjes, dat ik mezelf langzaam hulde in haar aanwezigheid. Geduldig heb ik steeds gekeken, verwoed heb ik gezocht . Utopisch heb ik mij gevoeld bij het ontdekken van alweer een nieuwe glimp van haar spoor. Gevochten heb ik tegen de winden van de molens, strijdend met mijn toren doosjes. Speurend heb ik gespoord, geurend naar de liefde voor heb ik haar verzameld. In duizend-en-één kistjes van ogenschijnlijk schoon allooi kan ik haar nooit passen. Toch zal ze wachten.

Morgen vind ik een kistje. Het zal geuren als verse rozen na de regen, zal verlangen naar ontluiking en ik, ik zal smachten naar de warmte van de ruimte in haar. Ook zal ik gek zijn en wachten tot ik boven kom en uittoren boven de wind, slechts gedragen door de verwonderde roes van het kijken. Zo zal ik haar openen, met strelende vingers zal ik nog eerst zuchten. Van verlichting. Zal ik haar zijn en zij mij.
Daar, in de bekroning van het torenste doosje zullen wij. Verzameld zijn. Vrij en.

31-10-08

zij -n-

thesis : april 2008

“Eigenlijk is het heel éénvoudig.”

 

 

Zegt Th.d.C. na een urenlang gesprek met Bernard Dewulf omtrent zijn werken. En misschien heeft dit ‘eigenlijke’ wel veel van doen met mijn ‘tussen’, waarmee ik tot volgende gedachte kwam ... misschien.

 

 

“ ‘eigenlijk’ is alles ‘tussen’. “

 

 

nu een laatste dag voor november valt
het me daagt tot vechten met mezelf
er wat schort aan het gebeuren , zijn

waar 'eigenlijk ' alles tussen is
en tussen alles ' eigenlijk ' is
weeft zij ' tussen ' en ' in '

als een zal niet anders zijn dan

mijn ' eigen ' tege ' lijke '



22-9-08

waat geen woorden voor zijn omschreven

.

.

.

mijn lief

.

22-7-08

brief terug

Lief,

 

meisje ver van me langs weide grassen die ik nooit heb gevoeld onder bomen in wie ik niet geklommen ben

op rotsen waar ik nog geen oogje op had. Een kust die ik nooit heb mogen ruiken.


De zon die schijnt de regen in precies duizend-en-één stukjes van de nacht. Vol sprookjes. Ik jou omhels in

het van ver toch samen kijken naar een mannetje in een maan die dezelfde schijnt. Een schaterlach zijn

donkere achterzijde verbeeld als een navel op de buik van zijn stralend witte lijf. Jouw witte lijf in een nacht

en duizend schaapjes die springen haasje over met elkaar in het witste licht, zwanger van verlangen, van jouw

witte ronde buik hoog in de lucht.


Hoe bedachtzaam ik jouw rug verduister wil ik jouw donkere zijde. Zijn als jouw leidtoon stil schreeuwend om

verlossing in jij mijn laatste noot. Jouw zachte toon mijn lippen balsemt. Haar neervlijt op mijn tong

een schaapje na precies duizend anderen haasje over en wakker wordt in het volste van de maan waaruit

je lacht ver weg en ik terug.


Enkel jou zal ik missen. Ook nu wanneer je naast me bent.

 

De maan kijkt wit terug als ik opkijk en ik sluit mijn ogen. Eenzaam is verlangen, dus eenzaam straalt maanwit.

Ik zing een melodietje. ‘Jij hoort me zingen waar ik ga.*’

 

jouw x

                                                                                                                                                       ,bert

 

23-6-08

langsheen het niet geschreven
loopt een enkel spoor
getekend door de ruimte
permanente ontdubbeling tegemoet

mijn eindwerk. Hortus Conclusus